‘HOOCH-GHEROEMDE CONSTE’

05/08/2019

De Perspective is een inschynende oft deursiende ghesichte der oogen” aldus Hans Vredeman de Vries (ca. 1527-ca. 1607) in de inleiding van zijn in 1604 verschenen boek Perspective, dat is de hooch-gheroemde Conste. Vredeman de Vries was de eerste schilder in de Nederlanden die zich ging specialiseren in de architectuurschilderkunst en zijn boek, waarin hij de werking van het perspectief uitlegde aan de hand van prenten met toelichtende tekst, heeft voor een groot aantal schilders die zich het perspectief eigen wilden maken gediend als voorbeeld- en leerboek. Een specifieke uitwerking van een architectuurvoorstelling waarin het perspectief een belangrijke rol speelde was het geschilderde kerkinterieur. In de zeventiende eeuw ging een aantal schilders in de Nederlanden zich in dit genre specialiseren en vonden meerdere innovaties binnen het genre plaats.

Hans Vredeman de Vries, Paleisarchitectuur met figuren, 1596, olieverf op doek, 135x174cm, Kunsthistorisches Museum Wenen (afbeelding Web Gallery of Art)

Hans Vredeman de Vries, Paleisarchitectuur met figuren, 1596, olieverf op doek, 135x174cm, Kunsthistorisches Museum Wenen (afbeelding Web Gallery of Art)

Hans Vredeman de Vries, schilder, architect en vestingbouwkundige afkomstig uit Leeuwarden, specialiseerde zich in de tweede helft van de zestiende eeuw in de architectuurschilderkunst. Hij liep daarmee voorop in dit genre van de schilderkunst. Vredeman de Vries schilderde vooral fantasie-architectuur die was opgebouwd uit elementen uit de klassieke oudheid zoals zuilen, kapitelen, architraven en obelisken. Een andere belangrijke wegbereider in de architectuurschilderkunst was de uit Kampen afkomstige Hendrick van Steenwijck de Oudere (ca. 1550-1603). Hij was vermoedelijk een leerling van Vredeman de Vries en werkte voornamelijk in Duitsland. In 1573 schilderde hij het interieur van de Dom van Aken, het vroegst gedateerde schilderij waarop een werkelijk bestaande kerk is afgebeeld.

Hendrick van Steenwijck de Oude, Interieur van de Paltskapel in de Dom te Aken, 1573, olie op paneel, 52,2x73cm, Bayerische Staatsgemäldesammlungen München (afbeelding RKD).

Hendrick van Steenwijck de Oude, Interieur van de Paltskapel in de Dom te Aken, 1573, olie op paneel, 52,2x73cm, Bayerische Staatsgemäldesammlungen München (afbeelding RKD).

In totaal waren er in de Nederlanden in de zeventiende eeuw iets meer dan dertig schilders die het genre uitoefenden (en die op dit moment nog bekend zijn), waarvan slechts een handjevol echte specialisten. Architectuurvoorstellingen werden vaak aangeduid als perspectiven, wat aangeeft dat het bij deze schilderijen vooral om een juiste toepassing van het geconstrueerde perspectief ging. Figuren in de voorstellingen kwamen daarom vaak in samenwerking met andere schilders tot stand, een werkwijze die niet ongewoon was in de zeventiende eeuw. Vrijwel alle geschilderde kerkinterieurs in de eerste helft van de zeventiende eeuw gingen uit van het zogenaamde centraalperspectief, waarvan de werking door Vredeman de Vries in zijn boek Perspective aan de hand van een prent werd uitgelegd. Ook andere boeken gaven uitleg over de werking van het perspectief zoals een in 1614 in Den Haag verschenen werk van de Hollandse wiskundige Samuel Marolois (1572-vóór 1627) en het in 1628 in Gouda verschenen boek T’samen-spreeckinghe Betreffende de Architecture ende Schilderkonst van de schilder Jacques de Ville (ca. 1589-ca. 1665). Een aantal schilders had een praktische manier gevonden die een juiste toepassing van het centraalperspectief garandeerde. Zij sloegen een spijkertje in het doek of paneel op de plaats van het centrale verdwijnpunt  en trokken vandaaruit met een liniaal of touwtje de orthogonalen. In werken van onder andere Gerard Houckgeest, Johannes van Vucht (ca. 1603-ca. 1637) en Anthonie de Lorme (1610-1673) is op de plaats van het centrale verdwijnpunt een gaatje in de verf geconstateerd.

Hans Vredeman de Vries, De werking van het centraalperspectief, Plaat 2 uit het boek  Perspective uit 1604.

Hans Vredeman de Vries, De werking van het centraalperspectief, Plaat 2 uit het boek Perspective uit 1604.

De vroege zeventiende-eeuwse schilders van kerkinterieurs in Antwerpen en Holland, waaronder Bartholomeus van Bassen (1590-1652), Hendrick van Steenwijck de Jonge (ca. 1580-1649) en Dirck van Delen (1605-1671) werkten aanvankelijk in de ‘Antwerpse traditie’ van Vredeman de Vries en Van Steenwijck de Oudere. Zij schilderden fantasie-kerken, vaak met renaissance-elementen, waar de schilder zijn blik richtte op de lengterichting van het middenschip vanuit een hoog standpunt, een zogenaamd tunnelperspectief. Rond 1620 stapte Van Bassen in Delft als eerste van dit tunnelperspectief af door het centrale verdwijnpunt met een beeldelement te bedekken, zoals in zijn werk Interieur van gefantaseerde kerk met het praalgraf van Willem van Oranje uit 1620, waar hij het grafmonument in het middelpunt plaatste.

Omgeving Dirck van Delen of Bartholomeus van Bassen, Kerkinterieur met figuren, 1628, olieverf op paneel, 64,5x84cm, Van Ham Kunstauktionen Keulen, 2014-05-16, lotnr. 408 (afbeelding RKD).

Omgeving Dirck van Delen of Bartholomeus van Bassen, Kerkinterieur met figuren, 1628, olieverf op paneel, 64,5x84cm, Van Ham Kunstauktionen Keulen, 2014-05-16, lotnr. 408 (afbeelding RKD).

Bartholomeus van Bassen, Interieur van een gefantaseerde kerk met het grafmonument van Willem van Oranje, 1620, olieverf op doek, 112x151cm, Museum voor Schone Kunsten Boedapest (afbeelding Web Gallery of Art).

Bartholomeus van Bassen, Interieur van een gefantaseerde kerk met het grafmonument van Willem van Oranje, 1620, olieverf op doek, 112x151cm, Museum voor Schone Kunsten Boedapest (afbeelding Web Gallery of Art).

Eén van de bekendste zeventiende-eeuwse schilders van kerkinterieurs is Pieter Jansz. Saenredam. Saenredam heeft zijn gehele leven vrijwel uitsluitend kerkinterieurs geschilderd. Al vanaf zijn eerste geschilderde kerkinterieur in 1628 beeldde hij uitsluitend werkelijk bestaande interieurs af, vanuit een laag gezichtspunt zodat nog maar een deel van de kerk werd weergegeven. De meer traditionele schilders gingen in de loop van de eerste helft van de zeventiende eeuw ook over tot het hanteren van dit lagere standpunt. Saenredams werkwijze was vernieuwend. Van al zijn werken maakte hij eerst een schets ter plaatse en vervolgens noteerde hij de maten en afstanden van alle belangrijke elementen in het interieur. Hiervoor kon hij een beschikbare plattegrond of opstand gebruiken, maar wanneer deze ontbraken deed hij zelf opmetingen. In zijn atelier verwerkte hij de schets en de metingen tot een constructietekening van dezelfde afmetingen als het te maken schilderij, waarna hij die tekening overtrok op het uiteindelijke doek. Hoewel Saenredam uitsluitend bestaande kerkinterieurs afbeeldde, nam hij enkele malen ook niet-bestaande elementen in zijn interieurs op, zoals de graftombe van een bisschop in zijn interieur van de Bavokerk in Haarlem uit 1630, vermoedelijk om de protestantse kerk een katholiek aanzien te geven. Dat was mogelijk ook de reden waarom Emanuel de Witte (1617-1692) in 1660 in zijn Interieur van de Oude Kerk in Amsterdam een afbeelding van het gelaat van Christus opnam, terwijl de kerk al sinds de beeldenstorm in 1566 ontdaan was van alle religieuze voorstellingen.

Pieter Saenredam, Interieur van de Bavokerk te Haarlem, 1630, olieverf op paneel, 41x37cm, Musée du Louvre Parijs (afbeelding Web Gallery of Art).

Pieter Saenredam, Interieur van de Bavokerk te Haarlem, 1630, olieverf op paneel, 41x37cm, Musée du Louvre Parijs (afbeelding Web Gallery of Art).

Emanuel de Witte, Interieur van de Oude Kerk in Amsterdam, 1660, olieverf  op doek, 86,5x107cm, Staatsgalerie Stuttgart (afbeelding Website Staatsgalerie Stuttgart).

Emanuel de Witte, Interieur van de Oude Kerk in Amsterdam, 1660, olieverf op doek, 86,5x107cm, Staatsgalerie Stuttgart (afbeelding Website Staatsgalerie Stuttgart).

Veruit de grootste vernieuwing in de zeventiende-eeuwse geschilderde kerkinterieurs vond plaats in Delft rond 1650. Gerard Houckgeest, die tot die tijd in de vroege traditie van Van Bassen schilderde, begon met het weergeven van bestaande kerkinterieurs vanuit een geheel ander gezichtspunt. Hij wisselde het centraalperspectief in voor het zogenaamde overhoeksperspectief, waarbij door een laag standpunt en twee zichtlijnen een schuine doorkijk in de kerk ontstond. Tezamen met zijn manier van lichtbehandeling, die vernieuwend was ten opzichte van bijvoorbeeld Van Bassen, en zijn aandacht voor kleurcontrasten ontstond er een geheel nieuw soort geschilderd kerkinterieur. Vrij snel na Houckgeest gingen ook Emanuel de Witte en Hendrick van Vliet (ca. 1612-1675) dergelijke schuine doorzichten schilderen.

Gerard Houckgeest, De kooromgang van de Nieuwe Kerk in Delft met het graf  van Willem de Zwijger, ca. 1651, olieverf op paneel, 65,5x77,5 cm, Mauritshuis Den Haag (afbeelding Web Gallery of Art).

Gerard Houckgeest, De kooromgang van de Nieuwe Kerk in Delft met het graf van Willem de Zwijger, ca. 1651, olieverf op paneel, 65,5×77,5 cm, Mauritshuis Den Haag (afbeelding Web Gallery of Art).

In dezelfde tijd vond in Delft nog een belangrijke innovatie plaats. Een aantal schilders voegde elementen aan hun voorstellingen toe die het illusionistische effect verhoogden, zoals geschilderde omlijstingen en het zogenaamde gordijn-motief. Een originele uitvoering van dit illusionistische element werd in 1653 aangebracht door Louys Aernoutsz. Elsevier (ca. 1618-1675) die zijn kerkinterieur een architectonische omlijsting gaf, welke hij in een ander materiaal schilderde waardoor de illusie werd geschapen alsof men door een stenen poort de kerkruimte in keek.

Gerard Houckgeest, Interieur van de Oude Kerk te Delft met de kansel uit 1548, 1651, olieverf op paneel, 49x41cm, Rijksmuseum Amsterdam (afbeelding Web Gallery of Art).

Gerard Houckgeest, Interieur van de Oude Kerk te Delft met de kansel uit 1548, 1651, olieverf op paneel, 49x41cm, Rijksmuseum Amsterdam (afbeelding Web Gallery of Art).

Louys Aernoutsz. Elsevier, Interieur van de Oude Kerk te Delft, 1653, doek op paneel geplakt met de omlijsting op paneel, 54,5x44,5cm, Nationaal Museum van Oude Kunst Lissabon (afbeelding Web Gallery of Art).

Louys Aernoutsz. Elsevier, Interieur van de Oude Kerk te Delft, 1653, doek op paneel geplakt met de omlijsting op paneel, 54,5×44,5cm, Nationaal Museum van Oude Kunst Lissabon (afbeelding Web Gallery of Art).

Emanuel de Witte, Interieur van de Oude Kerk tijdens een preek, 1651, olieverf op paneel, 61x44cm, Wallace Collection Londen (afbeelding Web Gallery of Art).

Emanuel de Witte, Interieur van de Oude Kerk tijdens een preek, 1651, olieverf op paneel, 61x44cm, Wallace Collection Londen (afbeelding Web Gallery of Art).

Vanaf aanvang werden geschilderde kerkinterieurs in de zeventiende eeuw gestoffeerd met figuren, maar deze waren ondergeschikt aan de ruimte. Hierin kwam verandering door Emanuel de Witte, die vooral de bezigheden van de mensen in de kerk afbeeldde. De Witte gaf aan de figuren een belangrijke plaats op de voorgrond, zoals in het werk Interieur van de Oude Kerk tijdens een preek uit 1651. Ook Hendrick van Vliet ging vanaf eind jaren vijftig over tot het schilderen van het dagelijks leven in de kerk. Steeds meer schilders maakten het gebruik van de kerk onderwerp van hun voorstelling in plaats van het kerkinterieur zelf. De laatste schilder van kerkinterieurs met wortels in de zeventiende eeuw was Hendrik van Streeck (1659-1720), een leerling van Emanuel de Witte in Amsterdam, in wiens trant hij ook schilderde. Het genre kerkinterieur verdween langzamerhand uit het repertoire, wellicht verdreven door het opkomende stadsgezicht.

Joke Reichardt, 5 augustus 2019.

Reacties

Eén reactie op “‘HOOCH-GHEROEMDE CONSTE’”

  1. Je hebt de naam Actuart eer aangedaan! Ik wist niet dat kerkschilders ook goed moesten zijn in het vak goniometrie. Gelukkig dat ik met het vak goniometrie geen kerkschilder hoefde te worden. Ik ben benieuwd naar je volgende Kunststukje.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



website: sbddesign.nl